Posts tonen met het label fruitteelt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fruitteelt. Alle posts tonen

zaterdag 30 juli 2011

Fruit is Fun – Over hobbyen met fruit

Uit siertuinen valt vaak weinig te eten en dat is een gemiste kans. Véél eetbare gewassen zien er alleszins aantrekkelijk uit en vooral fruitgewassen zijn geknipt voor de kijktuin bij het huis. Fruitgewassen heb je in werkelijk alle soorten en maten, en je kunt er ook naar hartenlust mee vormgeven. Fruit staat garant voor kijkplezier zoals bij de typerende wintersilhouetten, de uitbundige bloei en de ontwikkeling van de vruchtjes tot aan de verleidelijke aanblik van het rijpe fruit

Wat weerhoudt iemand er dan nog van fruit in zijn (of haar) tuin te planten? Is het de onwil iets eetbaars te willen zien? Zelf fruit telen lijkt ook vaak te stuiten op vooroordelen: Fruit is moeilijk en Je moet verstand van snoeien hebben, zijn de meest gebezigde dooddoeners. Maar fruitgewassen onderscheiden zich in biologische zin niet van soorten, waarvan we de vlezige omhulsels van de zaden (of de zaden zelf) niet eten. Wanneer je in staat bent een tuin met een paar struikjes en wat vaste planten te onderhouden, dan staat niets je in de weg om met dezelfde kans op succes wat fruitgewassen aan te planten

Snoei/

Over de snoei hoef je je ook geen zorgen te maken. In feite doe je met bloemdragende heesters hetzelfde als wat we bij fruit ‘vruchthoutverjonging’ noemen. Door de oudste takken weg te snoeien, geeft je jonge vitale takken ruimte voor ontwikkeling. Want op jong en vitaal hout krijg je niet alleen de mooiste bloemen, maar ook het beste fruit.

En bovendien: iedereen die wel eens een tak van een boom heeft afgezaagd, zelfs al was dat helemaal verkeerd gedaan, heeft kunnen ondervinden dat bomen of struiken daar prima tegen kunnen; bij fruit is dat in de regel niet anders. Zo lang je niet al te onbeheerst tekeer gaat, kun je jezelf met snoeien best wat fouten veroorloven. Snoeien doe je altijd met een reden: bijvoorbeeld om de kroon wat luchtig te maken zodat de zon er goed in kan; of om zieke of slecht ontwikkelde takken uit te knippen; of om het vruchthout te verjongen; of omdat een tak in de weg zit; en ga zo maar door. Zonder reden hoeft er niet gesnoeid te worden; en als je het wel doet, dan weet je waarom.

Bestuivers/
Wanneer je een fruitgewas wil aanplanten moet je wel weten of die soort of dat ras ‘zelfbestuivend’ is of niet. Onder ‘zelfbestuivend’ verstaan we fruitsoorten of rassen (cultivars), die zonder de aanwezigheid van vreemd stuifmeel vruchten vormen. Die vruchten kunnen dan letterlijk ‘zelfbestoven’ zijn, maar het kunnen ook vruchtomhulsels zijn zonder vruchtbare zaadkernen (pitten). Kleinfruit is als regel zelfbestuivend. Appel, peer, pruim, kiwi, walnoot, hazelnoot en veel andere soorten zijn dat als regel niet, die hebben dan één of meer vreemde bestuivers -van dezelfde soort- nodig om tot dracht te komen. Van veel soorten die in principe een vreemde bestuiver nodig hebben, zijn er echter ook zelfbestuivende rassen.

Onderstammen/
Vaak wordt gedacht dat onderstammen een specifieke fruitkwestie zijn, maar dat is een misverstand: ook de meeste cultivars (veredelingen/rassen) van bijvoorbeeld rozen, of van sier- en laanbomen groeien niet op eigen wortels. Kleinfruit staat als regel wel op eigen wortel. Fruit op eigen wortel kun je stekken of afleggen met behoud van identieke groei-eigenschappen. 
Grootfruit (pit- en steenfruit) staat eigenlijk altijd op onderstam, je zult hooguit een enkele boerenpruim aantreffen op eigen wortel. Belangrijk voor amateur-kwekers die niet over al te veel ruimte beschikken, zijn de recente ontwikkelingen op het gebied van fruitonderstammen.
Voor appels zijn er, hoewel er nu kleinere boompjes gekweekt kunnen worden dan ooit, al sinds de middeleeuwen zwakgroeiende onderstammen. 
De onderstammen die zorgen voor echt kleinblijvende peren-, pruimen- en kersenboompjes zijn een ontwikkeling van de laatste decennia. Deze zeer matig wortelende onderstammen lijken door hun mindere vitaliteit het erop geënte ras tot een vroege- en verhoogde vruchtbaarheid te prikkelen. De combinatie van een matig ontwikkelde wortelaanleg en een grote vruchtbaarheid zorgt dan voor een duurzaam kleinblijvend (maar relatief kortlevend) gewas. Er zijn inmiddels tal van fruitboompjes die zich nauwelijks verder ontwikkelen, dan een rijk met vruchten omhangen tak. Deze ontwikkeling maakt het mogelijk ook in een kleine tuin een decoratieve fruitverzameling aan te leggen. Dat is leuk, leerzaam, en lekker.

Halfwild/
Sierappel- en perenboompjes zijn cultivars die wat dichter bij de wilde vorm staan dan de echte consumptierassen. Ze zijn vaak buitengewoon ziektebestendig en beter bestand tegen minder gunstige omstandigheden. De vruchten zijn, hoewel meestal niet lekker (wrang, bitter, zuur) wel bruikbaar, en vaak zelfs gewild, voor verwerking zoals in cider, wijn of compotes. Sierfruit is vaak prima geschikt om andere fruitbomen van dezelfde soort te bestuiven. Dat is handig wanneer je te weinig plek hebt in de volle zon, want zo’n halfwilde bevruchter doet het ook nog best op een ongunstiger plekje. De sierappel John Downie staat bekend als de straathond onder de appelrassen: hij bestuift ze allemaal.

Omlooptijd/
Vaak wordt er bij het planten van fruitbomen vanuit gegaan dat ze lang op hun plek blijven. Ze kunnen immers behoorlijk oud worden! Dat is een dwangmatige gedachte die veel mensen er van weerhoudt er aan te beginnen. Immers: ‘Je moet wel weten wat je doet want je zit er lang mee opgescheept.’ Natuurlijk is het eeuwig jammer om zes jaar op de eerste oogst te wachten en dan kort erop de boom weg te halen omdat deze te groot wordt. Maar zo liggen de zaken allang niet meer. Op de moderne onderstammen zijn appels en peren razendsnel (vaak al het jaar na aanplant) vruchtbaar zodat je van een zesjarig boompje al jaren plezier hebt gehad. En ook bij soorten als pruimen of kersen hoef je nog maar kort te wachten. Op de moderne onderstammen komen de rassen snel tot dracht en de boompjes blijven lang binnen de gewenste maat. Daarom kun je er rustig wat vrijer mee om gaan, die kleine boompjes verdienen zichzelf snel terug, en kunnen makkelijk na een tijdje weggehaald of vervangen worden. Dat schept ook wat ruimte, om minder geslaagde aanplanten plaats te laten maken, voor een andere keus, die misschien beter voldoet.

Een filosofisch argument/
Zelf eetbare gewassen telen is van groot belang voor je binding met de natuur. Dat is een mening die al decennia’s door cultuurfilosoof Jan Lemaire wordt verkondigd, en velen delen zijn bezorgdheid voor de vervreemding van de mens tot zijn voedsel. Het blijkt heel belangrijk dat kinderen vroeg met oorspronkelijk voedsel in aanraking komen, omdat ze anders alleen nog maar voedsel kennen dat uit fabrieken komt. Zelf zien hoe voedsel groeit is belangrijk voor je kijk op de wereld. Vruchten zijn aanlokkelijk lesmateriaal om kinderen voor te leven dat de natuur eetbaar is, en dat we er daarom voorzichtig mee moeten zijn.
Een tuin met nuttige en bruikbare gewassen is daarom van grote opvoedkundige waarde; en de beste les die je je omgeving daarmee kunt geven, is door er ongegeneerd van te genieten.

donderdag 28 juli 2011

De ideale fruittuin is jeugdig

Onbespoten gaaf fruit: appel Vanda
 Mooi onbespoten fruit vind je vooral aan jonge gewassen, en het mooiste fruit in oude fruitbomen hangt aan het jongste vruchthout. Wanneer je zonder fratsen mooi en gezond fruit wil telen is een jong (of jong gehouden) gewas een eerste vereiste.

Een gaaf product is belangrijk. Gaaf en evenredig ontwikkeld fruit ziet er niet alleen uitnodigend lekker uit en streelt de kwekerstrots, maar IS ook vaak lekkerder en is beter te bewaren. 
Natuurlijk kan een plekje geen kwaad, en zegt de milieubewuste tuinier blijmoedig dat er best een wormpje in mag zitten. Maar de werkelijkheid is dat niemand echt blij wordt van ‘mottig’ [= slecht ontwikkeld, vervormd, met schurftplekken, enz. enz.] fruit. Al te mottig is al snel antireclame voor alles wat we als biologische tuinier plegen te propageren. Gááf fruit willen we hebben, zonder dat er onnatuurlijke middelen aan te pas zijn gekomen, en liefst in rijkelijke hoeveelheden. En, niet te vergeten: bij voorkeur met zo min mogelijk zorg. En dat kan: in een goed opgezette en jong gehouden fruittuin is een jaarlijkse overvloed van goeduitziend fruit de gewoonste zaak van de wereld.

Virusvrij/ De belangrijkste vooruitgang in de moderne fruitteelt is waarschijnlijk de ontwikkeling van het virusvrije uitgangsmateriaal. Het virusvrij maken van gewassen is een onschadelijk warmtebehandeling. Virussen in houtige gewassen worden bestreden met een thermotherapie, waarbij het materiaal enige tijd op een temperatuur van 36°C tot 38°C wordt gebracht. Daarna wordt het materiaal in luisvrije kassen (om verse besmettingen te voorkomen) opgekweekt, gedurende langere tijd gecontroleerd, en vervolgens vermeerderd. Virusvrij plantmateriaal maakt een goede start mogelijk, maar het gewas is niet immuun. Vanaf het moment van aanplant in het vrije veld staat de struik of boom bloot aan een reeks van infecties. Het voordeel van virusvrij materiaal manifesteert zich vooral in het jonge gewas, maar ‘verwatert’ met de jaren. Op termijn wordt de conditie van het gewas bepaald door de natuurlijke weerstand van het ras en de toegepaste onderstam, de groeiomstandigheden en de ernst van eventueel opgedane (virus-)infecties. Tegenwoordig kiezen beroepstelers voor een korte omlooptijd van hun houtige fruitgewassen. Zij doen dat omdat een ouder gewas meer onderhoud vraagt, en meer gewasbeschermingsmiddelen. Met een jong gewas heb je het optimale voordeel van de virusvrije start. Dat is voor de biologische kweker extra belangrijk.

Vervangen of niet?/ Waar het in de beroepsteelt allemaal is doorgerekend, blijft deze materie natte-vingerwerk voor de tuinierende hobbyist. Hier gaat het meestal om een klein stukje grond met een gevarieerd assortiment. De vraag hoelang een soort of ras meekan, laat zich dan alleen beantwoorden door de toestand van het gewas en de eisen van de tuinier. Natuurlijk hoef je geen bomen of struiken te vervangen omdat ze een bepaalde leeftijd bereiken, en zeker wanneer het om een karakteristiek boomgaardje gaat, nemen we vaak veel voor lief. Maar wanneer je een fruithoek hebt die gericht is op de productie, aarzel dan niet om teleurstellingen op te ruimen. Mijn ervaring is dat een boompje dat al enkele jaren kwakkelt, maar heel zelden miraculeus verbetert. Met ‘kwakkelen’ bedoel ik een zichtbaar matige conditie: slap in het blad; vaak ook maar weinig blad, nauwelijks groei, en een mottige oogst. Wanneer daar geen aanwijsbare oorzaken voor zijn (zoals voedingsstoornissen, vochtgebrek, ingeklonken plantgat of slechte afwatering, woelmuizenvraat aan wortels, enz. enz.) is vervanging door fris plantmateriaal de beste remedie. Hou er wel rekening mee dat je ook bij fruit teeltwisseling toe moet passen; wanneer het niet gewenst is om op de opengevallen plek een andere fruitsoort te planten, moet je in ieder geval een ruim plantgat van verse grond voorzien, en restanten van wortels in de randen van het plantgat zo goed mogelijk verwijderen.

Verjongingssnoei/ Veel fruitsoorten dragen aan éénjarig hout: bij een aantal, zoals druif, perzik, framboos, Japanse wijnbes en braam, worden de takken of ranken waaraan vruchten hebben gezeten, na de oogst weggesnoeid; ook zwarte bes wordt jaarlijks van het grootste deel van het overjarige hout ontdaan. Bij deze soorten is (vruchthout-) verjongingssnoei een automatisme.
Anders is het bij soorten die overjarig vruchthout vormen: zoals het boomfruit ( appel, peer, pruim, enz.) maar ook bijvoorbeeld rode bes. Deze soorten vormen vruchtdragende knoppenstelsels (vruchtzetels/-sporen) die zich jaarlijks uitbreiden. Wanneer deze stelsels ouder worden, gaat de kwaliteit van de vruchten achteruit. Het tempo van dit verouderingsproces verschilt van soort tot soort, en kan binnen één soort van ras tot ras verschillen. De cyclus van vruchthoutverjonging wordt bepaald door het tempo van veroudering, de groeikracht en de snoeibestendigheid van het gewas. Bij rode bessen laat je het vruchthout niet ouder dan vijf of zes jaar worden, door steeds de oudste gesteltak weg te nemen (je laat een struik dan uit vijf tot zes takken bestaan). Bij appels en peren kan je, afhankelijk van de noodzaak en mogelijkheden, de cyclus laten variëren van vijf (jaarlijks 20% van het vruchthout weghalen) tot acht jaar. Bij een achtjarige cyclus haal je jaarlijks ongeveer 12% van het vruchthout weg. Natuurlijk verwijder je altijd het oudste vruchthout. Pruimen hebben minder last van vruchthoutveroudering, en kunnen ook slecht tegen zware snoei. Daar knip je vooral het uitzakkende vruchthout weg en probeer je niet boven de 10% te komen.

Nursery/ Engelsen noemen een kwekerij een nursery, en gebruiken hetzelfde woord voor een kinderopvang of peuterklas; een nurse is een verpleger (m/v). In een nursery wordt jong plantgoed verzorgd en opgekweekt tot het moment van gebruik. Zo’n peuterklas is voor een fruittuinier, eigenlijk voor elke tuinier, een must. Een nursery of opkweektuin vraagt een luwe plek waar je vaak bent, en waar je kwetsbaar, of gewoon nog veel te klein, materiaal kunt opkweken tot een robuuster formaat. Stekken van kleinfruit, of jonge geënte struikjes of spillen, kunnen hier opgekweekt worden tot aan de eerste productiviteit. Zo heb je al het extra zorgvragende plantgoed bij elkaar, en kun je de fruithoek optimaal gebruiken als productietuin. 
Met een eigen nursery kun je steeds goed opgekweekt materiaal tot je beschikking hebben om zonder noemenswaardige oogstverliezen je fruittuin aan te vullen of te verbeteren.
Vergeet niet, wanneer je plantgoed in de volle grond opkweekt, om de wortelkluit van tijd tot tijd -steeds iets ruimer- los te steken; dit doe je om een compacte pol te vormen: wanneer je het nalaat beschadig je te veel wortels bij het overplanten. Op zware (klei-) grond verdient het aanbeveling de losgestoken rand om de pol met scherp zand in te spoelen. Gebruik op kleigrond ook altijd scherp zand om de wortels, na het planten, in te spoelen. Scherp (grofkorrelig) zand is op zware grond de belangrijkste bodemverbeteraar: het maakt de bodem luchtig, waardoor de voedingsstoffen beschikbaar komen, en makkelijk bewortelbaar. (oorspr.: okt.'05)