Posts tonen met het label peer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label peer. Alle posts tonen

maandag 18 juli 2011

Over de opkweek van appel en peer / De vrije spil is het snelst productief

Fruithof op Dekema State te Jelsum

Wanneer je fruitboompjes of struiken aanplant is het belangrijk dat je eerst nadenkt over de vorm die je ze wilt geven. De vorm, en de manier van snoeien die daar mee samenhangt, is niet alleen bepalend voor de ruimte die het gewas in zal nemen, maar ook voor de hoeveelheid werk die je eraan zult hebben.

Appel en peer
Van het grootfruit is de appel de meest veelzijdige soort. De appel voelt zich voor 100% thuis in ons klimaat en vrijwel alle rassen van deze soort doen het goed in ons klimaat. De vroegrijpe zomerappels zijn vaak ongeëvenaard lekker, maar kort bewaarbaar; de echte winterappels kunnen lang bewaard worden en komen vaak pas geruime tijd na de pluk op smaak. Wanneer je rassen kiest met een opvolgende rijpingstijd kun je zo'n tien maanden per jaar natuurlijk bewaarde appels uit eigen tuin eten.
De peer komt van oorsprong uit een iets warmere omgeving. Hoewel er zeker een honderdtal rassen zijn die het hier zonder problemen doen, is de keus toch kleiner dan bij de appel. Vooral de 'boterperen' (de heerlijk sappige beurrés) hebben wat meer warmte nodig.
Appel en peer worden op globaal dezelfde manier gesnoeid en daarom niet apart behandeld.

De vrije spil: makkelijk en snel
Wanneer je zo snel mogelijk een goed producerend boompje wilt hebben moet je er zo min mogelijk aan snoeien. Ik heb het hier nadrukkelijk over een 'boompje' omdat alleen zwakgroeiende onderstammen snel dragen. [Bovendien is de praktijk dat maar weinig lezers ruimte hebben voor echt grote fruitbomen; hoogstammen zijn hoe dan ook een ander verhaal, die vragen een geduldige vorming van een stevig gestel en daarom ook meer tijd.]
De beste vorm om snel van te oogsten is de spil zoals deze door commerciële telers wordt opgekweekt. Gewoon één opgaande stam die langs een boompaal is aangebonden en die zoveel mogelijk zijtakken heeft.
In principe wordt aan dit boompje tijdens de opkweekperiode niet of nauwelijks gesnoeid. Het enige dat belangrijk is, zijn voldoende zijtakken. Kies daarom bij de kwekerij of het tuincentrum goed vertakte boompjes uit, want slecht vertakt materiaal moet je inknippen om tot de vorming van zijtakken te prikkelen. Inknippen bevordert weliswaar de vorming van zijtakken, maar het geeft ook groeivertraging en vertraging van de vruchtbaarheid.
Vrije spil, 3e jaar na aanplant (museumtuin Gaasbeek)

'Vrije' spil: deze benaming wordt soms verschillend opgevat. Wanneer ik het over een vrije spil heb, bedoel ik een boompje dat, behalve de centrale stam, verder géén (bewust gevormde) gesteltakken heeft. Gesteltakken vormen bij andere boomvormen een blijvend geraamte, daar is bij een vrije spil geen sprake van. Bij een vrije spil wordt, wanneer deze wat ouder is, tijdens de vruchthoutverjonging het oudere zijhout zoveel mogelijk in haar geheel vervangen. Van een bewust geplande gestelvorming is dus geen sprake. Hooguit ontstaan er na verloop van jaren wat zwaardere vergaffelde aanzetten van zijtakken die bij vruchthoutverjonging werden teruggeknipt tot aan een vervangende frisse tak of scheut.

Vorming van zijhout
Het belangrijkste bij de opkweek van een spil is de vorming van voldoende zijhout. Daar moet je soms een handje bij helpen, want houtachtige gewassen hebben vaak de neiging zo snel mogelijk omhoog te willen, waardoor er kale (onvertakte) stukken stam kunnen ontstaan.
Om de vorming van zijhout (knoppen, scheutjes, takken) te stimuleren moet de groei-dominantie van de top worden opgeheven.
Een groeitop wordt bij de aanvoer van voedingsstoffen bevoordeeld omdat deze een (biochemisch/ hormonaal) signaal naar de wortels stuurt. Dit verschijnsel wordt 'apicale dominantie' genoemd (apex = top van de plant). De kroonblaadjes van de topscheut zorgen voor de aanmaak van auxine (een groeihormoon); wanneer de aanmaak van deze auxine geremd wordt, wordt dominantie van de top opgeheven, en zullen de wortels cytokinines aanmaken om de schade (het wegvallen van de groeistimulans) te herstellen.
Cytokinines zijn celdelingshormonen die de groei van zijscheuten bevorderen. Door de topdominantie op te heffen breng je dus een (tijdelijke) verandering in de hormoonhuishouding teweeg.
De mildste manier om de topdominantie op te heffen is door het 'pluizen' (blaadjes breken) van de top. Bij het pluizen worden de nog niet geheel opengevouwen topblaadjes verwijderd; de groeipunt moet hierbij onbeschadigd blijven. Dit pluizen moet meestal enkele keren (met tussenpozen van een á twee weken) herhaald worden. Een wat forsere ingreep is het wegknippen van de groeipunt tot aan een lager geplaatste knop. Bij zijtakken die al wat groter zijn kan de topdominantie ook worden opgeheven door de tak naar een vlakkere stand uit te buigen.

Struikvorm
De struikvorm wordt het meest gezien op tuincomplexen. De struik wordt meestal iets lager gehouden dan een vrije spil, waardoor deze ook wat minder schaduw geeft op de belendende moestuin. Op zich is een struik een makkelijke vorm, maar omdat er eerst aandacht geschonken moet worden aan het opkweken van een gestel (het vaste geraamte) heeft een struik meer tijd nodig om tot volle productie te komen. Bij een struik wordt de harttak ingesnoeid, zodat er een korte stam (40 á 50 cm) gevormd wordt met een open kroon die bestaat uit vier tot vijf gesteltakken. Omdat meestal ook de gesteltakken tijdens de opkweekperiode wat teruggeknipt moeten worden om voldoende stevig hout te krijgen doet een struik er vaak zo'n twee jaar langer over voordat deze volwaardig produceert. Deze gesteltakken worden later bij de vruchthoutverjonging intact gelaten. Ook bij een struik is het zaak op te letten dat er voldoende zijhout wordt gevormd. Wanneer zich lange scheuten ontwikkelen met weinig knoppen, pas je dezelfde technieken toe als hierboven beschreven voor de spil.



Leifruit
Leifruit is leuk en decoratief, maar het is zeker niet de meest economische manier om fruit te telen. Het opkweken als leiboom is alleen weggelegd voor rassen die kort vruchthout willen vormen. Bij leifruit kweek je een gestel op, dat uitsluitend bezet is met korte vruchtzetels (sporen). Bij de vorming van het gestel is het belangrijk dat er ook véél zijscheutjes worden gevormd; daarom is het van belang de groeitoppen van de twijgen die als gestel moeten dienen, regelmatig te pluizen. De zijscheutjes worden, wanneer ze vier blaadjes hebben, genepen. Wanneer zich dieven vormen in de oksels worden deze weggebroken. De jaarlijkse verlengenis van het gestel wordt tijdens de wintersnoei voor 1/3e teruggeknipt tot aan een goed ontwikkelde knop (je behoudt dus 2/3e). Wanneer je een vlak liggend snoer wilt kweken laat je dit eerst wat schuin omhoog lopen langs een bamboe stok om de groei aan te trekken. 's Winters wordt die aangroei met 1/3e ingeknipt, en vlak aangebonden, waarna het volgend groeiseizoen dezelfde truc met de nieuwe aangroei herhaald wordt. Staande snoeren worden vaak in een schuine stand gehouden omdat dit de groei vertraagt (ten opzichte van een rechtopgaand snoer) en de vorming van zijscheuten bevordert.

Harmonische groei
Bij het vormen van een jonge boom of struik is het belangrijk dat de takken ongeveer de zelfde graad van schuinte hebben. Dat is vooral bij de vorming van het gestel van een struik belangrijk. Steile takken groeien sneller dan vlakkere, en de hoogste takken groeien het snelst; daarbij hebben dikke takken meer groeikracht dan dunnere. Om de groei van de takken te reguleren is het vaak nodig de krachtigst groeiende takken (of scheuten) wat uit te buigen (met een touwtje) naar een vlakkere stand, of door deze iets in te korten zo dat de tak waaraan je voorrang wilt geven iets hoger komt. Zo hef je de topdominantie op, en zal de uitgebogen of ingekorte tak meer energie steken in de vorming van zijhout.

Het eerste fruit
Zowel een spil als een struik kunnen het eerste jaar na aanplant al bloemknoppen en dus vruchten vormen. Ik weet dat het pijn doet, want wat is leuker om zo snel al resultaat te kunnen zien, maar het is beter om zo'n jong boompje nog niet te laten dragen. Dat gaat teveel ten koste van de groei, en het levert uiteindelijk niets op.
Aan een spil kun je het tweede jaar al wat fruit laten zitten, maar hou dan alleen vruchten aan kort bij de stam, en niet meer dan een paar voor de aardigheid. Aan een struik kun je beter wachten tot het derde jaar. Daarna gaat het sneller, maar het verdient altijd aanbeveling een jonge spil of struik niet teveel te laten dragen, want dat remt de ontwikkeling. Wanneer het gewas redelijk op grootte is kun je het volwaardig laten dragen, hoewel vruchtdunning bij de meeste rassen altijd nodig zal blijven. Hoeveel te dunnen is een kwestie van aankijken en van ervaring. Rijke dracht remt de groei, wat op zich een voordeel is; maar wanneer de dracht zo overdadig is, dat er nauwelijks nieuwe aangroei is, is vruchtdunning noodzaak. Ook wanneer een ras in beurtjaren vervalt, weet je dat je voortaan stevig zult moeten dunnen om dit te voorkomen.

Te kale stam
Bij wat ouder hout dat, ondanks het pluizen of inkorten van de top, geen zijtakken wil vormen, moet je wat grover te werk gaan. Vaak zijn er dan nog wel zwak ontwikkelde knopbeginsels zichtbaar. 


Tuinbaas Wim Hoogendam van Dekema State
Kerven: Het uitlopen van deze zwakke knoppen kan dan worden bevorderd door met een scherp mesje een snede (kerf) onder de knop te maken in de lengterichting van de tak (groeisnede) of een dwarssnede boven de knop. Met een groeisnede activeer je de toevoer van groeistoffen om de wond te helen; die groeistoffen komen dan ook ten goede aan de nog onderontwikkelde knop die zich direct boven de snede bevindt. Een dwarsnede boven de knop doet hetzelfde, maar werkt ook remmend op de saptoevoer naar het hoger geplaatste deel van de twijg. Snij niet onnodig diep, het gaat om een beschadiging van de bast en het direct daaronder liggende weefsel, 3 tot 5 mm is voldoende.
Ringen: Een andere manier om verse zijscheuten te kweken op een kaal geworden stam is ringen; je haalt dan een ring van de bast weg boven het stuk stam waar je nieuwe zijscheuten wilt. Wanneer dat niet goed (te diep) gedaan wordt loop je risico dat het gewas boven de ring afsterft. Veiliger is het om twee halve ringen te maken met een – in hoogte – onderlinge afstand van ongeveer 10 cm. Zo stagneer je de sapstroom, maar sluit hem niet af. De breedte van de ring laat je afhangen van de dikte van de stam. Op dunner hout is 3 á 4 mm breedte al voldoende, op een wat steviger stam kun je 1 cm aanhouden. Na verloop van tijd zullen deze ringen (of halve ringen) door littekenweefsel overgroeid raken.
Insnoeren: Ook deze techniek is erop gericht om de sapstroom te stagneren zodat het gewas uit nood haar slapende knoppen aanspreekt. Hierbij wordt de stam boven het te kale deel tijdelijk afgekneld. Neem hiervoor een stuk oude boomband (of ander stevig materiaal), dan ijzerdraad eromheen en aandraaien (met een tang) zodat dit goed knellend vastzit; de boomband dient om te voorkomen dat de draad in de bast getrokken wordt en ingroeit. Wanneer er voldoende nieuwe uitlopers zijn, kan het bindsel weer worden verwijderd. Hou er rekening mee dat het insnoeren bedoeld is om de sapstroom te verminderen. Wanneer je de stam/tak zo heftig insnoert dat de sapstroom volledig stilvalt, gaat het gewas erboven dood. Hou de kroon dus goed in de gaten; als het blad wat slapper gaat hangen is de binding te strak en moet deze – meteen - iets verruimd worden.

Info: Fruitgewassen bekijken?? > Dekema State

Zomerse snoei aan appels en peren / Zomersnoei vertraagt groei en bevordert vruchtbaarheid

Snoeien tijdens het groeiseizoen heeft een aantal belangrijke voordelen.
Het gewas heeft minder snel last van infecties omdat de snoeiwonden inwendig sneller worden afgesloten en ook bladschimmels krijgen door een tijdige twijgdunning minder kans; daarbij zorg je met zomersnoei voor een betere belichting van de vruchten en bevorder je de knopzetting.

De snoei aan pitfruit gebeurt doorgaans in etappes. Traditioneel vindt er ‘s zomers twijgdunning en belichtingssnoei plaats - meestal in enkele snoeigangen per groeiseizoen - en ’s winters de (vruchthout-)verjongingssnoei. Dat de zwaarste snoei gedurende de winterrust gebeurt, is niet omdat dit beter is voor het gewas, maar omdat er ’s winters meer tijd beschikbaar is, en omdat het makkelijker werkt in een kaal gewas. Pitfruit is goed bestand tegen wintersnoei, maar wintersnoei is niet beter voor het gewas. Wanneer verwaarloosde bomen tijdens het groeiseizoen worden opgeknapt, is er aanzienlijk minder wildgroei rond de snoeiwonden dan na een winterse opknapbeurt. Vooral de periode van half juli tot september is geschikt voor de meer ingrijpende snoeibeurten.

Groei en vruchtbaarheid
Waar wintersnoei sterk tot groei prikkelt – hoe vroeger er in de winter gesnoeid wordt, hoe sterker de groeireactie het komende seizoen zal zijn – werkt zomersnoei groeivertragend, terwijl tevens de aanmaak van bloemknoppen wordt bevorderd. Dat is bij de meeste appelrassen – en vooral bij de sterker groeiende peren – een groot voordeel, want te groot geworden struiken en spillen maken het onderhoud een stuk lastiger. De vruchtbaarheid wordt bevorderd door het wegnemen van de overtollige scheuten en het inkorten van scheuten die aangehouden worden: vooral in de jonge bladeren van de toppen wordt een groeibevorderend (sapstroomregulerend) hormoon (auxine) aangemaakt, waardoor deze voorrang krijgen in het groeiproces. Door het wegnemen van een aantal toppen wordt de totale productie van het groeihormoon in het gewas tijdelijk verminderd. Dit herstelt zich weer zodra er nieuwe toppen gevormd zijn. Het wegnemen van groeitoppen heeft een tweeledig effect: behalve het temperen van de groei, wordt ook de prioriteit van de sapstroom veranderd. Wanneer je een groeitop wegsnoeit stagneert deze groeiprikkel en richt de sapstroom zich op de (latent aanwezige) knoppen in de scheut, zodat de vorming van zijscheuten en vruchtknoppen wordt gestimuleerd.

Groeipatronen
Er zijn bepaalde patronen in de groei die bij alle bomen en struiken hetzelfde zijn; in het kort komt het hier op neer: steile takken groeien sneller dan vlakkere; dikke takken groeien sneller dan dunnere, en hoger reikende takken zijn bevoorrecht ten opzichte van lager reikende. Wanneer je ook weet, dat vlakkere takken meer (en eerder) bloemknoppen en zijhout aanmaken dan steilere, dan heb je genoeg kennis om de groei van de kroon en de vruchtbaarheid naar eigen inzicht bij te sturen.
Belichting
Behalve dat je minder last hebt van hergroei, heeft zomersnoei ook het voordeel dat de kroon luchtig is op het moment dat dit het meest noodzakelijk is. Vooral in de nazomer, wanneer de dagen weer korter beginnen te worden en zon minder krachtig, moet het gewas snel op kunnen drogen na de nacht. In een luchtige kroon is het blad weerbaarder, en wordt het grootste deel van de schimmelsporen door het zonlicht vernietigd, terwijl ook het fruit beter op kleur komt. Wel moet je er rekening mee houden geen belichtingssnoei toe te passen bij extreem heet en zonnig weer: bij temperaturen van rond de dertig graden is er risico dat de vruchten (die voordien schaduw hadden) schade oplopen door het felle licht.

Vormingssnoei
Aan jonge boompjes en struiken, waar de vorming van een goed gestel voorop staat, moet met beleid worden gesnoeid. In feite kun je bij een opgroeiend boompje snoei goeddeels vermijden door steeds beginnende ongewenste scheutjes weg te wrijven. Wanneer de groei van het gestel te snel dreigt te gaan, kun je de blaadjes van de groeitop wegplukken (pluizen); dit heeft hetzelfde effect als wanneer je de top wegneemt (prikkeling tot zijscheuten en diktegroei). Pluizen is milder dan knippen maar moet soms wel enkele keren herhaald worden.
Als regel hou je voor een open kroon 3 tot 5 gesteltakken aan, en de kunst is deze takken een evenredige cirkel te laten vormen. Ideaal is wanneer de gesteltakken dezelfde schuintegraad hebben, dan is ook de groeikracht hetzelfde. De evenredigheid van groeikracht kun je daarna bijsturen door de hoogst reikende (en daardoor sneller groeiende) takken iets lager terug te snoeien dan takken die zich wat minder snel ontwikkelen. Eindig altijd op een laag aangezette, naar buiten wijzende knop. Bij spillen (dat zijn boompjes met één recht opgaande stam) is het zaak op regelmatige afstand zijtakken te vormen die het oppervlak rondom vullen. Meestal worden spillen met tamelijk korte zijtakken opgekweekt, en worden de scheuten aan dit zijhout ook kort gehouden zodat zich gedrongen sporenstelsels vormen. Zo’n compacte spil is qua snoeiwijze te vergelijken met leifruit. Bij hoogstambomen die met één centrale stam omhoog gaan, spreek je van piramidale groei; dit is de natuurlijke groeiwijze van de meeste perenrassen. Zo’n boom wordt gevormd door op regelmatige afstand rondom zijtakken te laten groeien (een etage) welke dan op dezelfde manier worden onderhouden als de gesteltakken van een open kroon.

Algemeen
Het wegnemen van zieke of dode takken is standaard: die laat je nooit zitten. Daarnaast worden rugscheuten (zo noem je de scheuten aan de bovenkant van de tak die zich tot waterlot zullen ontwikkelen) altijd zo snel mogelijk weggenomen;
ook reeds ontwikkeld waterlot moet worden weggesnoeid. Voor de vorming van takken hou je scheuten aan, die zijwaarts naar de buitenkant van de kroon gericht zijn en waarvoor voldoende ruimte is. Zijscheutjes die naar binnen zijn gericht, of die niet nodig zijn als tak, kunnen na drie of vier bladeren worden ingekort zodat ze zich als vruchttakje (spore) ontwikkelen. Rond de snoeiwonden van dikkere takken, die weggenomen zijn tijdens de wintersnoei, ontwikkelt zich vaak een krans jonge scheutjes; hiervan kun je één goed geplaatst scheutje laten staan, de rest wordt weggenomen. Eind juli, tot half augustus, worden - wanneer er voldoende groei is - de verlengenissen van de takken ingekort. Meestal wordt ongeveer 1/3e van de nieuwe groei weggenomen (maar dat kan naar behoefte wat korter of langer). Door dit toppen krijg je steviger takken, en een betere knopontwikkeling.

zaterdag 16 juli 2011

Hoogzomer in de fruittuin/ oogst, snoei en verzorging


Augustus is een drukke maand voor de fruittuinier en er is ook veel te genieten. Er is nu veel fruit oogstbaar, zoals de meeste pruimenrassen, de Japanse wijnbes, het late zachtfruit en de vroege zomerappels en peren. De latere appel- en perenrassen zijn nu al behoorlijk aan de maat, en vaak een lust voor het oog. Augustus is ook een snoeimaand bij uitstek; soorten en rassen die slecht tegen wintersnoei kunnen, worden bij voorkeur rond deze tijd gesnoeid.

Pruimen zijn in ons klimaat nogal eens een onzekere factor, maar dit jaar [2006] zat alles mee. De late start -waardoor minder kans op nachtvorst tijdens de bloei- heeft er voor gezorgd dat gewassen die het vorig jaar door nachtvorst hebben laten afweten, nu extra rijk dragen.
Ook het andere fruit doet het dit jaar zonder uitzondering overvloedig, maar op hogere en weinig vochthoudende bodems is extra water vaak noodzakelijk. Dat blijft belangrijk: ook uitgeoogste gewassen (zoals de aardbeien en aalbessen) houden hun waterbehoefte om knoppen aan te kunnen maken voor het komend jaar. Als vuistregel kan gelden dat de kleinste gewassen het eerste dorst hebben. Opgaande bomen en struiken halen hun water dieper weg, maar kleinfruit, zachtfruit en pitfruit op zwakgroeiende onderstammen komt al snel tekort. Het blad is de belangrijkste indicator voor vochttekort: wanneer de bladspanning afneemt, waardoor de bladeren wat slapper gaan hangen, heeft het gewas last van droogte. Wanneer de bladeren zich beginnen te krullen om verdamping tegen te gaan, ben je al te laat om groeistagnatie te voorkomen.

Snoei steenfruit
Augustus is een belangrijke snoeimaand, vooral voor soorten - zoals bij het steenfruit en de walnoot - die slecht tegen wintersnoei kunnen. Nu is het gewas actief, en worden de snoeiwonden snel inwendig afgegrendeld. Zoete kersen worden meestal al in juli gesnoeid; zure kersen rond midden augustus. Perziken en pruimen snoei je bij voorkeur meteen na de oogst, maar niet later dan half september; steenfruit dat later rijpt mag pas weer vanaf half april worden gesnoeid. De mate waarin steenfruit snoei verdraagt is per soort verschillend, maar ook dat verschilt vaak weer van ras tot ras. Pruim kan vaak slecht tegen zware snoei en zal dan gaan ‘gommen’; zure kers (morel) en perzik verdragen wel stevige snoei, en hebben deze ook nodig- zij dragen vooral aan het éénjarige hout. De snoei van het vruchthout bij zure kers en perzik laat zich vergelijken met die van de zwarte bes. Bij deze gewassen worden de (meeste) twijgen die gedragen hebben, jaarlijks teruggesnoeid tot aan een vervanger. Bij perzik hou je altijd wat extra ‘vervangers’ aan, om eventuele vorstschade te kunnen compenseren; het overschot van deze scheuten wordt dan aan het begin van het volgende groeiseizoen weggenomen.

Pitfruit
Appels of peren die een beurtjaar hebben (zonder, of met weinig fruit) groeien extra sterk, en kunnen door een stevige snoei in augustus in hun groei worden geremd; de vermindering van het bladgroen doet de wortelaangroei stagneren. Ook bij sterk groeiende, dragende bomen kan de groei getemperd worden door de groeitoppen en een deel van het bladgroen weg te nemen; dat stimuleert tevens de aanmaak van zijhout en bloemknoppen. Belichtingssnoei is in een goed onderhouden kroon meestal niet meer dan het weghalen van wat bladeren rond de vruchten; voor bewaarappels is dit niet belangrijk, dan gaat het niet persé om de kleur, en moeten ze ook niet al te rijp worden. Maar handappels worden veel mooier, en beslist ook lekkerder, wanneer ze goed in de zon hangen. Veel zomerappels - vooral de oudere rassen zoals de Yellow Transparente, Rode Tulpappel of de Zigeunerin - worden bij volle rijpheid snel melig. Wanneer de oogst groter is dan het gebruik, kun je beter een deel ietsje onrijp plukken voor verwerking. De mooiste laat je natuurlijk rijp worden aan de boom, want die worden het lekkerst.

Droog en schoon
Snoeien doe je altijd bij droog weer en in een droog gewas. Na snoei van ziek hout is het belangrijk je gereedschap te ontsmetten; brandspiritus (=alcohol, minstens 70 %) is hiervoor het makkelijkst. Een kleine plantenspuit met ontsmettingsmiddel (voorzien van duidelijk opschrift!) hoort eigenlijk deel uit te maken van de snoeiuitrusting. Maak er ook een gewoonte van om het snoeigereedschap telkens voor het werk even te scherpen; er zijn verschillende modellen slijpstaafjes voorhanden waarmee je het ronde mes van een snoeischaar of het holle snoeimes gemakkelijk kan scherpen. Scherp en schoon gereedschap maakt gladde en schone wonden. Vooral bij het steenfruit verdient het aanbeveling alle grotere snoeiwonden met een wondafdekmiddel (bijv. Lac-Balsam) te behandelen.

Uitbuigen
Ook voor uitbuigen van te steil geplaatste takken (dat doe je om de groei te remmen, en de knopzetting te bevorderen) is het nu een goede tijd. De jonge scheuten hebben nu voldoende postuur om ze in de juiste takstand te kunnen buigen en er is nog een volle groeimaand te gaan. Appels mogen bijna horizontaal, peer en pruim hou je iets meer opwaarts (± 60°) gericht. De groei (celvorming die zich aanpast aan de nieuwe positie) fixeert de takken of twijgen in hun nieuwe stand, zodat de bindingen er vóór de winter weer afkunnen. Hulpmiddelen zoals touw, gaffels en gewichtjes die je gebruikt om de takstand te verbeteren moet je niet langer laten zitten dan nodig. Vooral ’s winters veroorzaken deze al snel schuurplekken of contactwonden, die invalsplekken vormen voor vruchtboomkanker of andere infecties. Probeer bij de vorming van een gestel de belangrijkste takken dezelfde schuintegraad te geven, dat geeft een gelijkmatige groei in de kroon.

Opruimen
Van de frambozen die nu zijn uitgeoogst worden de oude stengels weggehaald. Langer laten zitten, gaat ten koste van de ontwikkeling van de scheuten die komend jaar zullen dragen. Ook bij de Taybes (en andere braamhybriden) en de Japanse wijnbes kunnen de overjarige ranken na de oogst meteen worden verwijderd. Knip stekelige oude ranken eerst in stukken, dat vermindert de kans op beschadiging van de jonge scheuten tijdens het weghalen, en knip ze tot iets onder de grond weg, zodat er geen dood materiaal overblijft. Wees voorzichtig met het verleggen en het aanbinden van de jonge scheuten; deze zijn vooral bij de braamachtigen vaak kwetsbaar en breken makkelijk.
Ook de omgeving van de fruitgewassen vraagt zorg. Vooral wanneer het weer koeler en vochtiger begint te worden, is een goede ventilatie in de fruittuin van het grootste belang: een goede fruittuin is luw, maar er mag geen windstilte heersen; dan drogen de gewassen te traag, en ontstaat er een broeierig en schimmelvriendelijk klimaat. Hou daarom voldoende ruimte tussen het fruit onderling en tussen een omringende afscheiding. Zorg voor ventielatieopeningen in hagen of schuttingen, en hou omringende beplanting luchtig en binnen de maat.

Verder in augustus

Wildfruit
Vlierbessen pluk je meestal in het wild, maar let er wel op dat te doen op plekken waar niet wordt gespoten. De rijpe zwartpaarse bessen hebben een heerlijk aroma en kunnen zonder bezwaar vers worden gegeten. Je kunt er ook jam van maken, taartvullingen, vruchtensaus, limonade of wijn. De groene delen van de vlier (groene bessen, blad en steeltjes) bevatten cyanogene glycosiden (sambunigrine). Daar kun je buikpijn van krijgen. Deze stoffen breken af bij verhitting, zodat je er bij verwerking niets van te duchten hebt. De bessen maak je schoon door ze van de trossen te rissen en in ruim water te wassen. Wat onrijp is komt dan bovendrijven en kan worden weggespoeld.

Kiwi
Vaak wordt geklaagd dat kiwi’s niet op smaak komen in ons klimaat, maar de oorzaak is bijna altijd de overmaat aan vruchten. Kiwi heeft in koudere streken meer blad per vrucht nodig om op smaak te komen; daarom moet een zeer forse vruchtdunning worden toegepast. Vruchtdunning heeft ook nu nog zin - want de kiwi wordt pas geplukt in oktober of november, wanneer de eerste serieuze vorst dreigt – maar wacht er dan niet langer mee.

Schildenten
Oculeren of schildenten is niet alleen een eenvoudige manier om een ander ras op een onderstam of tak te zetten; deze techniek wordt bij leifruit ook gebruikt om kale (kaal geworden) stukken stam van zijhout te voorzien. In dat geval gebruik je materiaal dat afkomstig is van dezelfde boom of struik. De beste tijd om te oculeren is van juli tot begin september; dat is ook afhankelijk van de soort; in de meeste gevallen is augustus de geschikte maand. Oculeren is veilige techniek: de ingreep aan het gewas is minimaal; wanneer een oculatie mislukt (niet aanslaat, aangetast raakt) is er, op een minuscuul wondje na, niets met het gewas gebeurd.
Techniek: het uitgangsmateriaal voor het oculeren zijn de slapende knoppen in de oksel van de bladaanzet bij jonge twijgen. Met een (vlijmscherp) ent- of oculeermesje wordt de bladvoet - met een plakje van de onderliggende bast - weggesneden. In het midden van het schildje dat dan ontstaat, bevindt zich de knopaanzet; het dunne plakje hout dat aan de onderkant van de bast meekomt, wordt er voorzichtig afgehaald (uitgewipt). Het blad wordt, op een stukje steel na, dat dient als handvat, weggeknipt. Op de plek waar de oculatie moet plaatsvinden wordt een T-vormige insnede gemaakt, waarvan de bast voorzichtig wordt losgemaakt, zodat het schildje er tussen kan worden geschoven; het afgeknipte bladsteeltje steekt dan naar buiten. Daarna wordt de snede -met-schildje vastgezet met een elastiekje of met enttape; het bladsteeltje blijft vrij. Bij gebruik van elastiek kun je de opengebleven stukjes wond afdekken met Lac-Balsam of entwas.

Preventief
Door het droge weer ondervindt het fruit dit jaar [2006] minder last van schimmels, maar dit kan - even snel als het weer – omslaan; de voornaamste problemen bij warm en droog weer zijn luis, spint en rupsen. Wees altijd attent om plotselinge uitbraken te bestrijden, want onder gunstige omstandigheden (voor de plaag) kan het snel gaan..
Met het sproeien van bladvoeding, zoals zeewier-preparaten of verdunde brandnetelgier met wat opgeloste kalk, verhoog je de weerstand, en maak je het gewas minder aantrekkelijk voor schimmels en insecten.
Spintmijt kun je alleen al door stevig sproeien met de tuinslang redelijk onder de duim houden, en een groenezeep-oplossing (met wat spiritus en een lepeltje zout en kalk) is een probaat en onschuldig middel tegen mijt, luis of rupsen, wanneer het wat uit de hand dreigt te lopen. Let op insectenspinsels, want die zijn nog makkelijk met de hand te verwijderen, en dan ben je het ongerief voor.
Aangetaste (meeldauw, schurft, of monilia-) topjes en door monilia-rot aangestoken vruchten blijven een bron van besmetting en moeten steeds naar de vuilcontainer worden afgevoerd; dergelijk materiaal hoort niet op de composthoop.