zondag 17 juli 2011

Hoe krijg je de lekkerste bessen? / Zorgeloos snoeien en tóch mooier fruit

Ook wanneer je bessenstruiken nauwelijks verzorgt valt er vaak volop te plukken, maar met een beetje extra aandacht verbetert de kwaliteit van de vruchten aanmerkelijk. Tros- en kruisbessen zijn er in tal van kleuren en smaken, en zijn ook ideaal voor een snoeptuin bij het huis. Je kunt deze soorten vrijstaand opkweken, als leistruik of als een ranke spil zodat je maar weinig ruimte nodig hebt voor een leuke collectie snoepfruit.

Tros- en kruisbessen zijn geschikt voor elke tuinier. Wanneer je gemakzuchtig bent zul je ontdekken dat de struiken jarenlang zonder zorg kunnen, terwijl een overijverige tuinier uit zal vinden dat de planten tegen vrijwel elke vorm van snoei bestand zijn. Voor de beginner ideaal omdat verkeerd snoeien het gewas niet lijkt te deren; terwijl de ervaren tuinier zijn inspanningen beloont ziet met een overvloed van prachtig en smakelijk fruit.

Soorten en rassen
De trosbes of aalbes is de meest gekweekte bessensoort, maar meestal lijkt de fantasie op te houden bij de rode Jonkheer van Tets. De ‘Tetsen’ rijpen vroeg, dragen rijk en de struiken zijn sterk; maar je moet wel van zure bessen houden en altijd een vogelnet gebruiken.
Er zijn ook later rijpende rassen - die meestal veel minder door vogels belaagd worden - en véél zoetere. De witte, of lichter gekleurde, rassen variëren in smaak van zoet tot mild friszuur.

Zwarte bes is zoeter, maar niet iedereen houdt van het typische aroma. Bij deze soort is het belangrijk om, net als bij de kruisbes, een ras te kiezen dat meeldauwresistent is.

De kruisbes is door zijn bevattelijkheid voor Amerikaanse kruisbessenmeeldauw wat op de achtergrond geraakt, maar inmiddels is er een ruime keus aan resistente rassen. Ook de vaak venijnige stekels werken niet mee aan de populariteit van de kruisbes, maar dit euvel is te vermijden door rassen zonder stekels te kiezen. Kruisbessen verdienen beslist een grotere populariteit, want rijp uit de tuin zijn ze onvolprezen lekker.

Wanneer het om de smaak van kinderen gaat zijn de kruisbes, de zwarte bes en de witte (want zoete) aalbes favoriet. Lekker plukfruit is overigens een belangrijk educatief middel om de smaakontwikkeling voor natuurlijk voedsel bij kinderen te bevorderen.

Teelt
Bessen gedijen goed op licht beschaduwde plekken, maar minder zon geeft ook minder zoete vruchten; een standplaats op een zonnige plek verdient dus voorkeur. ‘Witte’ rode bessen (deze rassen hebben minder pigment en zijn meestal transparant rossig of bleekgeel) hebben wat meer warmte nodig dan de andere rassen om echt lekker te worden; een plaatsje tegen een zonnige gevel is ideaal.

Snoeivormen
Van nature vormen tros- en kruisbessen een meerstammige struik. Wanneer je de struiken laat verwilderen worden ze manshoog en minstens anderhalve meter breed. Gecultiveerd hou je als regel vijf tot zes takken aan om daarmee een slankere struik te vormen.

In moestuinen zie je nog veel vrijstaande struiken, maar de teelt aan de haag wint terrein. Bij de aan de haag gekweekte bessen is de vorm in de loop van de tijd verschoven. Op de ouderwetse manier worden de rode bes en de kruisbes als waaier opgekweekt (in feite een platte struikvorm) terwijl we tegenwoordig aan de haag vooral enkele of dubbele snoeren (één- of tweetakkers) zien.

TIP: De moderne manier van bessen kweken aan de haag kun je ook vrij toepassen: dan geen haag met draden, maar een vrijstaand stevig slank paaltje tot zo’n twee meter hoogte waaraan een (rode- witte- of kruis-)bes als snoer wordt opgekweekt. Zo krijg je prachtig slanke bessenpilaren, en kun je op enkele vierkante meters een leuke collectie fruit herbergen.

Vorming en onderhoud
Het gestel bij rode bes (en de ‘witte’varianten) en kruisbes kan op dezelfde manier worden gevormd, het verschil zit in het onderhoud (vervangingssnoei) van het vruchthout. Daarnaast wordt er bij struiken voorkeur aan gegeven om de kruisbes op één stam op te kweken (deze laat je dan kort boven de grond vertakken); de rode bes laat je doorgaans met twee of drie stammen uit de grond komen.
De vorming van één of tweetakkers is bij beide soorten hetzelfde. Het verschil zit hem in het vruchthout: dat gaat bij rode bes langer mee dan bij de kruisbes.

Kruisbes draagt het mooiste aan de wat forsere éénjarige scheuten; de vruchtsnoei is steeds op verjonging van deze zijscheuten gericht.

Bij rode bes en kruisbes wordt verjonging van het vruchthout (de vruchtdragende zijtakjes) bij struiken anders aangepakt dan bij de snoervorm. Bij de struik vorm je een vijftal gesteltakken en verjong je het vruchthout door na verloop van tijd steeds een van de gesteltakken geheel te vervangen door een nieuw opgekweekte; terwijl bij de snoervorm de basisstam intact blijft, en de oudste zijscheutjes worden weggesnoeid ten gunste van jonge vervangers. De zijscheutjes aan rode bes kunnen jarenlang mee, die van de kruisbes worden veel sneller vervangen.

Zwarte bes wordt eigenlijk altijd als struik opgekweekt: toch is het wel mogelijk om deze als snoer op te kweken. Zwarte bes draagt aan de scheutgroei van het voorgaand jaar; bij de snoervorm moeten de dragende zijscheuten na de oogst steeds tot een stomp worden ingekort en laat je de mooiste jonge zijscheuten intact. Bij struiken worden na de oogst de meeste overjarige takken weggesnoeid. Op ouder hout wordt de aangroei van de zijscheutjes steeds fijner, en worden bessen kleiner en minder zoet.

Informatie en verkrijgbaarheid
Op de website van de Proeftuin van Marc Geens (http://www.proeftuin.eu/) is vooral over de teelt van kruisbessen, maar ook over het andere kleinfruit, een schat aan informatie te vinden. De Proeftuin heeft een grote collectie rassen geselecteerd die geschikt zijn voor ecologische teelt;
ook op de site van Peter Bauwens (http://www.denieuwetuin.be/) zijn enkele interessante snoeprassen te vinden.
‘Ecologische teelt van kleinfruit’ is een handzaam boekje dat is uitgegeven door Velt (ISBN 90-800626-2-6); hierin uitgebreide teeltbeschrijvingen voor alle soorten kleinfruit en rasoverzichten met vermelding van de sterkste rassen.

zaterdag 16 juli 2011

Hoogzomer in de fruittuin/ oogst, snoei en verzorging


Augustus is een drukke maand voor de fruittuinier en er is ook veel te genieten. Er is nu veel fruit oogstbaar, zoals de meeste pruimenrassen, de Japanse wijnbes, het late zachtfruit en de vroege zomerappels en peren. De latere appel- en perenrassen zijn nu al behoorlijk aan de maat, en vaak een lust voor het oog. Augustus is ook een snoeimaand bij uitstek; soorten en rassen die slecht tegen wintersnoei kunnen, worden bij voorkeur rond deze tijd gesnoeid.

Pruimen zijn in ons klimaat nogal eens een onzekere factor, maar dit jaar [2006] zat alles mee. De late start -waardoor minder kans op nachtvorst tijdens de bloei- heeft er voor gezorgd dat gewassen die het vorig jaar door nachtvorst hebben laten afweten, nu extra rijk dragen.
Ook het andere fruit doet het dit jaar zonder uitzondering overvloedig, maar op hogere en weinig vochthoudende bodems is extra water vaak noodzakelijk. Dat blijft belangrijk: ook uitgeoogste gewassen (zoals de aardbeien en aalbessen) houden hun waterbehoefte om knoppen aan te kunnen maken voor het komend jaar. Als vuistregel kan gelden dat de kleinste gewassen het eerste dorst hebben. Opgaande bomen en struiken halen hun water dieper weg, maar kleinfruit, zachtfruit en pitfruit op zwakgroeiende onderstammen komt al snel tekort. Het blad is de belangrijkste indicator voor vochttekort: wanneer de bladspanning afneemt, waardoor de bladeren wat slapper gaan hangen, heeft het gewas last van droogte. Wanneer de bladeren zich beginnen te krullen om verdamping tegen te gaan, ben je al te laat om groeistagnatie te voorkomen.

Snoei steenfruit
Augustus is een belangrijke snoeimaand, vooral voor soorten - zoals bij het steenfruit en de walnoot - die slecht tegen wintersnoei kunnen. Nu is het gewas actief, en worden de snoeiwonden snel inwendig afgegrendeld. Zoete kersen worden meestal al in juli gesnoeid; zure kersen rond midden augustus. Perziken en pruimen snoei je bij voorkeur meteen na de oogst, maar niet later dan half september; steenfruit dat later rijpt mag pas weer vanaf half april worden gesnoeid. De mate waarin steenfruit snoei verdraagt is per soort verschillend, maar ook dat verschilt vaak weer van ras tot ras. Pruim kan vaak slecht tegen zware snoei en zal dan gaan ‘gommen’; zure kers (morel) en perzik verdragen wel stevige snoei, en hebben deze ook nodig- zij dragen vooral aan het éénjarige hout. De snoei van het vruchthout bij zure kers en perzik laat zich vergelijken met die van de zwarte bes. Bij deze gewassen worden de (meeste) twijgen die gedragen hebben, jaarlijks teruggesnoeid tot aan een vervanger. Bij perzik hou je altijd wat extra ‘vervangers’ aan, om eventuele vorstschade te kunnen compenseren; het overschot van deze scheuten wordt dan aan het begin van het volgende groeiseizoen weggenomen.

Pitfruit
Appels of peren die een beurtjaar hebben (zonder, of met weinig fruit) groeien extra sterk, en kunnen door een stevige snoei in augustus in hun groei worden geremd; de vermindering van het bladgroen doet de wortelaangroei stagneren. Ook bij sterk groeiende, dragende bomen kan de groei getemperd worden door de groeitoppen en een deel van het bladgroen weg te nemen; dat stimuleert tevens de aanmaak van zijhout en bloemknoppen. Belichtingssnoei is in een goed onderhouden kroon meestal niet meer dan het weghalen van wat bladeren rond de vruchten; voor bewaarappels is dit niet belangrijk, dan gaat het niet persé om de kleur, en moeten ze ook niet al te rijp worden. Maar handappels worden veel mooier, en beslist ook lekkerder, wanneer ze goed in de zon hangen. Veel zomerappels - vooral de oudere rassen zoals de Yellow Transparente, Rode Tulpappel of de Zigeunerin - worden bij volle rijpheid snel melig. Wanneer de oogst groter is dan het gebruik, kun je beter een deel ietsje onrijp plukken voor verwerking. De mooiste laat je natuurlijk rijp worden aan de boom, want die worden het lekkerst.

Droog en schoon
Snoeien doe je altijd bij droog weer en in een droog gewas. Na snoei van ziek hout is het belangrijk je gereedschap te ontsmetten; brandspiritus (=alcohol, minstens 70 %) is hiervoor het makkelijkst. Een kleine plantenspuit met ontsmettingsmiddel (voorzien van duidelijk opschrift!) hoort eigenlijk deel uit te maken van de snoeiuitrusting. Maak er ook een gewoonte van om het snoeigereedschap telkens voor het werk even te scherpen; er zijn verschillende modellen slijpstaafjes voorhanden waarmee je het ronde mes van een snoeischaar of het holle snoeimes gemakkelijk kan scherpen. Scherp en schoon gereedschap maakt gladde en schone wonden. Vooral bij het steenfruit verdient het aanbeveling alle grotere snoeiwonden met een wondafdekmiddel (bijv. Lac-Balsam) te behandelen.

Uitbuigen
Ook voor uitbuigen van te steil geplaatste takken (dat doe je om de groei te remmen, en de knopzetting te bevorderen) is het nu een goede tijd. De jonge scheuten hebben nu voldoende postuur om ze in de juiste takstand te kunnen buigen en er is nog een volle groeimaand te gaan. Appels mogen bijna horizontaal, peer en pruim hou je iets meer opwaarts (± 60°) gericht. De groei (celvorming die zich aanpast aan de nieuwe positie) fixeert de takken of twijgen in hun nieuwe stand, zodat de bindingen er vóór de winter weer afkunnen. Hulpmiddelen zoals touw, gaffels en gewichtjes die je gebruikt om de takstand te verbeteren moet je niet langer laten zitten dan nodig. Vooral ’s winters veroorzaken deze al snel schuurplekken of contactwonden, die invalsplekken vormen voor vruchtboomkanker of andere infecties. Probeer bij de vorming van een gestel de belangrijkste takken dezelfde schuintegraad te geven, dat geeft een gelijkmatige groei in de kroon.

Opruimen
Van de frambozen die nu zijn uitgeoogst worden de oude stengels weggehaald. Langer laten zitten, gaat ten koste van de ontwikkeling van de scheuten die komend jaar zullen dragen. Ook bij de Taybes (en andere braamhybriden) en de Japanse wijnbes kunnen de overjarige ranken na de oogst meteen worden verwijderd. Knip stekelige oude ranken eerst in stukken, dat vermindert de kans op beschadiging van de jonge scheuten tijdens het weghalen, en knip ze tot iets onder de grond weg, zodat er geen dood materiaal overblijft. Wees voorzichtig met het verleggen en het aanbinden van de jonge scheuten; deze zijn vooral bij de braamachtigen vaak kwetsbaar en breken makkelijk.
Ook de omgeving van de fruitgewassen vraagt zorg. Vooral wanneer het weer koeler en vochtiger begint te worden, is een goede ventilatie in de fruittuin van het grootste belang: een goede fruittuin is luw, maar er mag geen windstilte heersen; dan drogen de gewassen te traag, en ontstaat er een broeierig en schimmelvriendelijk klimaat. Hou daarom voldoende ruimte tussen het fruit onderling en tussen een omringende afscheiding. Zorg voor ventielatieopeningen in hagen of schuttingen, en hou omringende beplanting luchtig en binnen de maat.

Verder in augustus

Wildfruit
Vlierbessen pluk je meestal in het wild, maar let er wel op dat te doen op plekken waar niet wordt gespoten. De rijpe zwartpaarse bessen hebben een heerlijk aroma en kunnen zonder bezwaar vers worden gegeten. Je kunt er ook jam van maken, taartvullingen, vruchtensaus, limonade of wijn. De groene delen van de vlier (groene bessen, blad en steeltjes) bevatten cyanogene glycosiden (sambunigrine). Daar kun je buikpijn van krijgen. Deze stoffen breken af bij verhitting, zodat je er bij verwerking niets van te duchten hebt. De bessen maak je schoon door ze van de trossen te rissen en in ruim water te wassen. Wat onrijp is komt dan bovendrijven en kan worden weggespoeld.

Kiwi
Vaak wordt geklaagd dat kiwi’s niet op smaak komen in ons klimaat, maar de oorzaak is bijna altijd de overmaat aan vruchten. Kiwi heeft in koudere streken meer blad per vrucht nodig om op smaak te komen; daarom moet een zeer forse vruchtdunning worden toegepast. Vruchtdunning heeft ook nu nog zin - want de kiwi wordt pas geplukt in oktober of november, wanneer de eerste serieuze vorst dreigt – maar wacht er dan niet langer mee.

Schildenten
Oculeren of schildenten is niet alleen een eenvoudige manier om een ander ras op een onderstam of tak te zetten; deze techniek wordt bij leifruit ook gebruikt om kale (kaal geworden) stukken stam van zijhout te voorzien. In dat geval gebruik je materiaal dat afkomstig is van dezelfde boom of struik. De beste tijd om te oculeren is van juli tot begin september; dat is ook afhankelijk van de soort; in de meeste gevallen is augustus de geschikte maand. Oculeren is veilige techniek: de ingreep aan het gewas is minimaal; wanneer een oculatie mislukt (niet aanslaat, aangetast raakt) is er, op een minuscuul wondje na, niets met het gewas gebeurd.
Techniek: het uitgangsmateriaal voor het oculeren zijn de slapende knoppen in de oksel van de bladaanzet bij jonge twijgen. Met een (vlijmscherp) ent- of oculeermesje wordt de bladvoet - met een plakje van de onderliggende bast - weggesneden. In het midden van het schildje dat dan ontstaat, bevindt zich de knopaanzet; het dunne plakje hout dat aan de onderkant van de bast meekomt, wordt er voorzichtig afgehaald (uitgewipt). Het blad wordt, op een stukje steel na, dat dient als handvat, weggeknipt. Op de plek waar de oculatie moet plaatsvinden wordt een T-vormige insnede gemaakt, waarvan de bast voorzichtig wordt losgemaakt, zodat het schildje er tussen kan worden geschoven; het afgeknipte bladsteeltje steekt dan naar buiten. Daarna wordt de snede -met-schildje vastgezet met een elastiekje of met enttape; het bladsteeltje blijft vrij. Bij gebruik van elastiek kun je de opengebleven stukjes wond afdekken met Lac-Balsam of entwas.

Preventief
Door het droge weer ondervindt het fruit dit jaar [2006] minder last van schimmels, maar dit kan - even snel als het weer – omslaan; de voornaamste problemen bij warm en droog weer zijn luis, spint en rupsen. Wees altijd attent om plotselinge uitbraken te bestrijden, want onder gunstige omstandigheden (voor de plaag) kan het snel gaan..
Met het sproeien van bladvoeding, zoals zeewier-preparaten of verdunde brandnetelgier met wat opgeloste kalk, verhoog je de weerstand, en maak je het gewas minder aantrekkelijk voor schimmels en insecten.
Spintmijt kun je alleen al door stevig sproeien met de tuinslang redelijk onder de duim houden, en een groenezeep-oplossing (met wat spiritus en een lepeltje zout en kalk) is een probaat en onschuldig middel tegen mijt, luis of rupsen, wanneer het wat uit de hand dreigt te lopen. Let op insectenspinsels, want die zijn nog makkelijk met de hand te verwijderen, en dan ben je het ongerief voor.
Aangetaste (meeldauw, schurft, of monilia-) topjes en door monilia-rot aangestoken vruchten blijven een bron van besmetting en moeten steeds naar de vuilcontainer worden afgevoerd; dergelijk materiaal hoort niet op de composthoop.